Sdu UitgeversScherp in OndernemingsrechtScherp in Ondernemingsrecht twitterImage2

Nieuws

Bestuurder geeft te rooskleurige voorstelling van zaken

24-01-2012

Belanghebbende geeft een veel te rooskleurige voorstelling van zaken. Het is niet de taak van de belastingdeurwaarder om daar door heen te prikken. Door belanghebbende is op geen enkel moment duidelijk aangegeven dat A BV niet meer kon betalen. Het hof is van oordeel dat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld.

Feiten
Belanghebbende was in de jaren 2008 tot en met 2010 enig aandeelhouder en bestuurder van A BV. Gedurende die jaren heeft A BV een achterstand gekregen in het betalen van de verschuldigde omzetbelasting en loonheffingen. Op 24 augustus 2010 werd het faillissement van de A BV uitgesproken.

In de periode van 13 februari 2009 tot en met 21 januari 2010 is een aantal malen de belastingdeurwaarder bij A BV langs geweest voor het betekenden van een dwangbevel en het leggen van beslag op roerende zaken van A BV. De voorgenomen executoriale verkoop heeft geen doorgang gevonden in verband met de marginale executiewaarde van de in beslag genomen zaken.

Bij beschikking met dagtekening 9 april 2010 heeft de ontvanger belanghebbende aansprakelijk gesteld voor de door A BV niet betaalde belasting, bestuurlijke boeten, heffingsrente en vervolgingskosten. Met dagtekening 22 april 2010 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen voormelde aansprakelijkstelling.

Op een formulier van de Belastingdienst “Melding Betalingsonmacht” met afdrukdatum 1 augustus 2010 heeft A BV haar betalingsonmacht gemeld voor een drietal aanslagen tot een totaal bedrag van € 29.811.

Geschil
Tussen partijen is in geschil of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de door A BV niet betaalde belastingschulden.

Beoordeling van het geschil
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de ontvanger op de hoogte was van de betalingsonmacht. De drie keer dat de belastingdeurwaarder langs is geweest heeft hij duidelijk toegelicht dat A BV in een slechte financiële situatie verkeerde en haar belastingaanslagen niet kon voldoen.

De ontvanger brengt hier tegen in dat belanghebbende bij het eerste bezoek van de deurwaarder nog een deelbetaling heeft gedaan over de betreffende periode. Bij het volgende bezoek van de deurwaarde sprak belanghebbende nog over leuke opdrachten en betaling die daarop zouden volgen. Van de belastingdeurwaarder kan niet worden verwacht dat hij optimistische beschouwingen van de debiteur over de economische vooruitzichten van diens bedrijf op werkelijkheidsgehalte toetst. Voorts voerde belanghebbende een gebrekkige administratie. Dit schrijft belanghebbende toe aan de administrateur en problemen in zijn privé leven. Dit wijst op onbehoorlijk bestuur.

Met betrekking tot de vraag of belanghebbende tijdig melding van betalingsonmacht heeft gedaan overweegt het hof het volgende. De uitlating tegenover een belastingdeurwaarder dat een aantal, in een proces-verbaal van executoriaal beslag omschreven, aanslagen niet (tijdig) kan worden betaald en de omstandigheid dat de ontvanger executoriale maatregelen neemt ten aanzien van een aantal in het proces-verbaal van executoriaal beslag omschreven niet betaalde belastingaanslagen houdt op zichzelf niet in dat een melding van betalingsonmacht heeft plaatsgevonden.

Voorts overweegt het hof nog dat het voor de belastingdeurwaarder niet klip en klaar was dat A BV niet meer kon betalen. Dit komt doordat belanghebbende de zaken te rooskleurig voorstelde, sprak over leuke nieuwe opdrachten en dat er op willekeurige momenten nog betalingen werden verricht. Van de belastingdeurwaarder kan redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij een beter inzicht in de financieel-economische situatie van de BV had dan belanghebbende, haar enig bestuurder, hem bood.

Gelet op al wat hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat A BV haar betalingsonmacht niet tijdig aan de ontvanger heeft gemeld. In dat geval rijst op grond van art. 36 lid 4 Invorderingswet 1990 het vermoeden dat de niet betaling van de loon- en omzetbelastingschulden waarvoor melding is uitgebleven aan de bestuurder te wijten is. Tot de weerlegging van dat vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam niet aan zijn meldingsverplichting heeft voldaan.

Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die leiden tot het oordeel dat het niet tijdig melden van de betalingsonmacht van A BV niet aan hem, als enig bestuurder van die vennootschap, te wijten is.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende op grond van art. 36 lid 3 en 4 van de Invorderingswet 1990, terecht aansprakelijk is gesteld door de Ontvanger.

Hof ’s-Gravenhage 30 november 2011, LJN BV0319

Nieuwsbron: OpMaat_Onderneming & Recht

« Terug naar overzicht nieuws

Winkelwagen icon_cart

Nieuwsbrief

Vul hieronder uw e-mailadres in en wij informeren u over de ontwikkelingen op ScherpinOndernemingsrecht.

Twitter

 
Image1
 

OpMaat_Mobiel 

Image1

Een App om de Nederlandse wet- en regelgeving te raadplegen.

Poll

Veel te veel van de grote Nederlandse bedrijven raken in buitenlandse handen.
Ja 74%
Nee 25%