Bewijsopdracht voor oorzaak faillissement: hebben anderen gelden onttrokken?
25-01-2012De curator in het faillissement van X BV stelt de voormalig bestuurders aansprakelijk voor het boedeltekort om dat er geen boekhouding is, en omdat de jaarrekeningen niet of niet tijdig zijn gedeponeerd. Er is daarom sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur, en dit wordt vermoed een belangrijke oorzaak te zijn van het faillissement. Bovendien hebben gedaagden onrechtmatig gehandeld omdat er activa zijn onttrokken aan de boedel.
Onbehoorlijk bestuur is belangrijke oorzaak
De rechtbank komt allereerst tot de vaststelling dat, nu gedaagden niet langer betwisten dat de jaarrekening van X over 2009 niet is gepubliceerd, zij niet hebben voldaan aan de op hen rustende publicatieplicht. Daarmee is gegeven dat zij als (direct respectievelijk indirect) bestuurder hun taak onbehoorlijk hebben vervuld en wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van X.
Ontzenuwen bewijsvermoeden
Een redelijke uitleg van art. 2:248 lid 2 BW brengt in dat geval mee dat voor het ontzenuwen van het daarin neergelegde vermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurders aannemelijk maken dat andere feiten en omstandigheden dan hun onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest (HR 20 oktober 2006, LJN AY7916. Stellen de bestuurders daartoe een van buiten komende oorzaak en wordt de bestuurder door de curator verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van de oorzaak te voorkomen, dan zullen de bestuurders (tevens) feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Als zij daarin slagen, ligt het op de weg van de curator om op de voet van artikel 2:248 lid 1 BW aannemelijk te maken dat nochtans de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest (HR 30 november 2007, LJN BA6773). Van kennelijke onbehoorlijke taakvervulling is sprake als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld.
Andere oorzaken
Als verweer stellen gedaagden dat iemand anders de bestuurstaken verrichtte en bij X ‘aan de knoppen zat’. Gedaagden stellen dat zij er zelf buiten zijn gehouden. Ze hadden veel problemen om de boekhouding, bankpasjes en dergelijke te krijgen. Zij stellen verder dat zij de feitelijk bestuurder erop hebben aangesproken dat de jaarrekening over 2009 niet is gepubliceerd, maar zonder resultaat. Ook hebben andere personen gelden onttrokken aan X. Daarna ging het helemaal fout met de vennootschap.
De curator voert hiertegen aan dat het verwijtbaar is dat gedaagden dit hebben laten gebeuren.
Bewijsopdracht
De rechtbank stelt voorop dat het aan gedaagden is om aannemelijk te maken dat andere feiten en omstandigheden dan hun onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. De rechtbank draagt gedaagden het bewijs op van hun stelling dat anderen gelden hebben onttrokken aan X in 2009. Indien dit in voldoende mate vast komt te staan, hebben zij aannemelijk gemaakt dat andere feiten en omstandigheden dan hun onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest.
Nagelaten om faillissement te voorkomen
Vervolgens zal de rechtbank moeten beoordelen of gedaagden hebben nagelaten het intreden van deze oorzaak van het faillissement te voorkomen zoals de curator stelt. Als zij niet in die bewijslevering slagen, komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de stellingen van partijen over de omvang van het faillissementstekort. De overige grondslagen van de vordering van de curator, zoals het niet voldoen aan de boekhoudplicht en het stuurloos achterlaten van de vennootschap, en de verweren daartegen hoeven dan niet meer te worden besproken.
Rechtbank Arnhem 21 december 2011, LJN BV0952
Nieuwsbron: OpMaat_Onderneming & Recht
« Terug naar overzicht nieuws


