Sdu UitgeversScherp in OndernemingsrechtScherp in Ondernemingsrecht twitterImage2

Nieuws

Curator stelt gemeente aansprakelijk na faillissement poppodium

07-02-2012

Vanaf najaar 2008 is overleg gevoerd tussen de gemeente en de toenmalige exploitanten van het Rotterdamse poppodium Watt in verband met de dreigende ondergang van het podium. Watt is toen eerst opgegaan in een bredere stichting, waarbij de gemeente extra subsidie beschikbaar stelde. Het is echter niet gelukt om problemen met de geluidsoverlast op te lossen, en de gemeente heeft op enig moment de (verdere) financiering gestaakt. De curator heeft de gemeente aansprakelijk gesteld voor het boedeltekort. De Rechtbank Rotterdam wijst de vordering van de curator af.

Gevaarzettende financiële structuur
Volgens de curator heeft de gemeente een structuur voor Watt in het leven geroepen die inherent afhankelijk was van voortdurende steun van de gemeente, zodat die structuur als gevaarzettend moet worden beschouwd zodra de gemeente zou besluiten haar steun te staken. Tegen die achtergrond stond het de gemeente in juni 2010 niet vrij verdere financiering van Watt te weigeren zonder rekening te houden met de belangen van de schuldeisers. Door dat toch te doen heeft de gemeente onrechtmatig jegens de schuldeisers gehandeld. Zij hebben schade geleden die bestaat uit hun onbetaald gebleven facturen – aldus nog steeds de curator. Hij beroept zich in dit verband op de zogenoemde Comsys-jurisprudentie (HR 11 september 2009, JOR 2009/309).

Voorts heeft de gemeente jegens de schuldeisers het vertrouwen gewekt dat zij de financiering van Watt zou voortzetten. Door in juni 2010 de financiering toch te beëindigen, heeft de gemeente gehandeld in strijd met het opgewekte vertrouwen. Tenslotte heeft volgens de curator te gelden dat, als zou blijken dat het besluit van de gemeente om geen nieuwe investeringen in Watt te plegen op zichzelf rechtmatig is, toch sprake is van onrechtmatigheid omdat de gemeente ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de schuldeisers.

Niet-ontvankelijkheidsverweer slaagt
De gemeente heeft bestreden dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Als meest verstrekkende verweer heeft zij echter aangevoerd dat de curator niet-ontvankelijk is, omdat hij slechts bevoegd is te handelen in het belang van de gezamenlijke schuldeisers en niet ten behoeve van slechts een selectieve groep van schuldeisers. Dit verweer slaagt.

Uit de in art. 68 lid 1 Fw aan de curator gegeven opdracht tot beheer en vereffening van de boedel vloeit voort dat de curator bevoegd is voor belangen van de schuldeisers op te komen in geval van benadeling van die schuldeisers door de gefailleerde. Die bevoegdheid kan ook meebrengen dat de curator een vordering uit onrechtmatige daad kan instellen jegens een derde die bij de benadeling is betrokken (HR 14 januari 1983, NJ 1983, 597). Het moet dan echter wel gaan om benadeling van de gezamenlijke schuldeisers. Een selectieve behartiging van de belangen van een bepaalde groep schuldeisers valt buiten de grenzen van genoemde bevoegdheid van de curator (HR 16 september 2005, JOR 2006/52 en HR 14 januari 2011, JOR 2011/343).

Gelet hierop moet sprake zijn van een zekere mate van homogeniteit van de positie van de respectieve schuldeisers, in die zin dat zonder die homogeniteit niet van benadeling van de gezamenlijke schuldeisers kan worden gesproken. Waar op voorhand moet worden vastgesteld dat binnen de totale groep van schuldeisers in zodanige mate sprake is van verschillen dat het aan de derde verweten gedrag niet onrechtmatig kan zijn jegens een bepaalde deelgroep van die schuldeisers, kan niet meer van benadeling van de gezamenlijke schuldeisers worden gesproken. Dat betekent op zichzelf niet dat de individuele positie van elk der schuldeisers moet worden onderzocht; het gaat hier immers om het collectieve belang van de gezamenlijke schuldeisers en om verhaal van de door de gezamenlijke schuldeisers geleden schade (HR 23 december 1994, NJ 1996, 628). Het betekent wel dat dit collectieve belang en de vereiste homogeniteit in voldoende mate moeten kunnen worden vastgesteld. Als dat niet kan, dan heeft de curator niet de bevoegdheid een vordering uit onrechtmatige daad wegens benadeling van de schuldeisers in te stellen. Met de gemeente is de rechtbank van oordeel dat van deze laatste situatie sprake is. De rechtbank overweegt dat in het onderhavige geval niet kan worden gesproken van een vordering uit onrechtmatige daad die strekt tot behartiging van het collectieve belang van de gezamenlijke schuldeisers. Dat betekent dat de curator niet de bevoegdheid heeft op deze grondslag jegens de gemeente te ageren. In zoverre is hij dus niet-ontvankelijk. De inhoudelijke beoordeling van het handelen van de gemeente in het kader van de nieuwe constructie van Watt kan dus achterwege blijven.

Wanprestatie
Daargelaten of de vorderingen van de curator die zijn gegrond op wanprestatie aansluiten bij de subsidiaire grondslag (die vorderingen zijn immers gericht op vergoeding van de schade van de schuldeisers), het betoog van de curator brengt in ieder geval mee dat de tussen partijen neergelegde afspraken moeten worden uitgelegd. De curator beroept zich met name op de zin uit het ‘onderhandelaarsakkoord’: “De gemeente waarborgt de financiële continuïteit.” De rechtbank is echter van oordeel dat deze zin betrekking heeft op en (dus) beperkt is tot de overgang van de oude naar de nieuwe constructie. Voor zover de onderhandelaars aan de zijde van de nieuwe stichting zouden hebben gemeend een ruimere uitleg aan de bepaling te mogen geven, had het op hun weg gelegen daaromtrent duidelijkheid te vragen. Nu gesteld noch gebleken is dat de gemeente de wel uit het akkoord voortvloeiende verplichtingen niet (goed) is nagekomen, is van een tekortkoming geen sprake. Op de grondslag van wanprestatie komen de vorderingen van de curator dus niet voor toewijzing in aanmerking.

Vordering namens schuldeisers
De rechtbank komt, ook na beoordeling van enkele ander argumenten van de curator tot de slotsom dat zijn vorderingen worden afgewezen. Voor de goede orde wijst de rechtbank erop dat hiermee niet is gezegd dat tussen (bepaalde) schuldeisers en de gemeente geen rechtsverhouding bestaat waaruit een vordering van een dergelijke schuldeiser jegens de gemeente zou kunnen voortvloeien. Het hier gegeven oordeel behelst niet meer dan dat de curator (in die hoedanigheid, dus namens de gezamenlijke schuldeisers) geen vordering op de gemeente heeft. De curator is in deze procedure niet opgetreden als gevolmachtigde van één of meer schuldeisers.

Rechtbank Rotterdam 25 januari 2012, LJN BV1859

Nieuwsbron: OpMaat_Onderneming & Recht

« Terug naar overzicht nieuws

Winkelwagen icon_cart

Nieuwsbrief

Vul hieronder uw e-mailadres in en wij informeren u over de ontwikkelingen op ScherpinOndernemingsrecht.

Twitter

 
Image1
 

OpMaat_Mobiel 

Image1

Een App om de Nederlandse wet- en regelgeving te raadplegen.

Poll

Veel te veel van de grote Nederlandse bedrijven raken in buitenlandse handen.
Ja 74%
Nee 25%