Schade door kredietovereenkomsten met DSB aangenomen, omvang moet nader onderbouwd
01-02-2012De curatoren van DSB vorderen betaling van gedaagden in conventie op grond van de bestaande kredietrelatie. In reconventie vorderen gedaagden verrekening van dat bedrag met de hun toekomende schadevergoeding, op de grond dat de bank haar zorgplicht heeft geschonden. De rechtbank verklaart gedaagden niet ontvankelijk in hun reconventionele vordering in verband met art. 26 Fw. Dat staat in dit geval een beroep op verrekening echter niet in de weg. De rechtbank oordeelt dat de bank haar zorgplicht heeft geschonden. De schade dient door gedaagden nader te worden onderbouwd.
Ontvankelijkheid
De curatoren voerden aan dat gedaagden niet-ontvankelijk zijn in de reconventie, omdat art. 26 Fw bepaalt dat rechtsvorderingen die voldoening van een vordering uit de boedel beogen, gedurende het faillissement slechts kunnen worden ingesteld door aanmelding ter verificatie. De rechtbank acht deze stelling juist, hetgeen betekent dat gedaagden niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun reconventionele vordering. Dit brengt echter niet mee dat het beroep op verrekening van de door gedaagden gestelde vordering met de vordering van de curatoren in conventie niet meer mogelijk is. De curatoren hebben zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat verrekening van de reconventionele vordering met de vordering in conventie op grond van de in hun ogen toepasselijke voorwaarden is uitgesloten. Bij brief hebben zij bericht dat zij - louter om proceseconomische reden - het beroep op het non-verrekeningsbeding intrekken.
Terugbetalen?
Het geschil gaat in hoofdzaak over de vraag of, en zo ja, in hoeverre gedaagden gehouden kunnen worden het van DSB geleende bedrag terug te betalen. Gedaagden menen dat DSB als kredietverstrekker en/of intermediair heeft gehandeld in strijd met haar jegens gedaagden in acht te nemen contractuele of buitencontractuele verplichtingen.
De rechtbank is van oordeel dat het gaat om betrekkelijk eenvoudige en ook inzichtelijke financiële producten. De omstandigheid dat vanuit het opgenomen krediet ook koopsommen zijn voldaan ten behoeve van de overlijdensrisicoverzekeringen, heeft naar het oordeel van de rechtbank de kredietovereenkomsten niet in bijzondere mate complex gemaakt.
Op het polisblad van de overlijdensrisicoverzekering, gedateerd op 29 december 1999, zijn de ingangsdatum en de einddatum van de verzekering vermeld; deze laatste datum ligt vijf jaar na de eerste. Voor zover de klachten van gedaagden betrekking hebben op de verzwaring van de totale schuldenlast en de korte duur van de verzekeringen, had hun dit aanstonds duidelijk kunnen en moeten zijn. Klachten daarover hebben gedaagden te laat naar voren gebracht.
Gedaagden hebben voorts gesteld dat zij niet wisten dat het overgrote deel van de koopsom bestond uit woekerprovisies en dat de verzekering onvoldoende dekking bood. De rechtbank constateert dat als dat het gestelde gebrek is, niet zonder meer valt in te zien dat gedaagden daardoor schade hebben geleden. Nu de verzekerde gebeurtenis zich niet heeft voorgedaan, is evenmin aangetoond dat gedaagden schade hebben ondervonden als gevolg van een verminderd recht op uitkering. Deze klacht stuit derhalve - daargelaten of zij tijdig naar voren is gebracht - af op de omstandigheid dat door gedaagden onvoldoende concreet is onderbouwd dat zij schade hebben geleden door het in rekening brengen van kosten door DSB en door het beperkte recht op uitkering.
Uit het vorenstaande volgt dat naar het oordeel van de rechtbank niet is komen vast te staan dat DSB door of bij het aanbieden van overlijdensrisicoverzekeringen in de vorm van koopsompolissen onrechtmatig heeft gehandeld.
Zorgplicht geschonden?
Het geschil tussen partijen spitst zich vervolgens toe op de vraag of DSB haar zorgplicht heeft geschonden. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de koopsommenconstructie is de rechtbank van oordeel dat ter zake van het aanbieden van koopsompolissen voor overlijdensrisicoverzekeringen niet is aangetoond dat DSB haar zorgplicht heeft geschonden.
Vervolgens is dan de vraag aan de orde of DSB ter zake van het aangaan van de kredietovereenkomsten een zorgplicht heeft geschonden.
Naar het oordeel van de rechtbank had DSB onder de gegeven omstandigheden (i) gedaagden voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten uitdrukkelijk en in niet mis te verstane woorden moeten waarschuwen voor het risico dat het in de spaarkredietovereenkomst opgebouwde vermogen mogelijk ontoereikend zou blijken voor de terugbetaling van het door DSB aan hen verstrekte krediet en (ii) moeten onderzoeken of gedaagden in staat waren om een tegenvallend beleggingsresultaat op te vangen. Uit het gestelde omtrent het onderzoek naar de kredietwaardigheid van gedaagden blijkt ook niet dat DSB heeft nagegaan of gedaagden in staat zouden zijn een tegenvallend beleggingsresultaat op te vangen en of zij, ook in dat geval, aan hun verplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst zouden kunnen voldoen.
DSB is volgens de rechtbank zowel in haar waarschuwingsplicht als in haar onderzoeksplicht tekortgeschoten. De rechtbank acht aannemelijk dat gedaagden eerst kort na het faillissement van DSB op de hoogte zijn geraakt van het risico van een mogelijke restschuld doordat in Hollands Welvaren onvoldoende vermogen werd opgebouwd. De curatoren hebben betoogd dat gedaagden door middel van jaaropgaven van de fiscale waarde van de beleggingen en vanaf 2007 door verstrekking van informatieoverzichten is gewezen op de waardeontwikkeling van de beleggingen, maar uit deze jaaropgaven en overzichten blijkt niet hoe de waardeontwikkeling zich verhield tot de bij aanvang van de verzekering geprognotiseerde bedragen of tot het doelvermogen. Om die redenen wijst de rechtbank het beroep van de curatoren op verjaring, althans rechtsverlies, af.
Schade
Uit het voorgaande volgt dat DSB als aanbieder van de kredietovereenkomst en spaarkredietverzekering aansprakelijk is voor de schade van gedaagden. Voor de bepaling van de omvang van de schade zijn in de rechtspraak in vergelijkbare zaken diverse uitgangspunten ontwikkeld. De rechtbank wijst in dit kader op onder andere het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009, LJN BK4978 (JOR 2010/66), waarin bij de uitwerking van de door de Hoge Raad ontwikkelde criteria in zijn arrest van 5 juni 2009, LJN BH2815 (JOR 2009/199) regels worden gegeven.
De rechtbank stelt gedaagden in de gelegenheid om hun financiële aanspraken te onderbouwen met concrete, door bescheiden ondersteunde berekeningen, die de omvang en de opbouw van die aanspraken inzichtelijk maken.
Rechtbank ’s-Gravenhage 11 januari 2012, LJN BV1684
Nieuwsbron: OpMaat_Onderneming & Recht
« Terug naar overzicht nieuws


