Volgens Rechtbank gold art. 2:207c BW ook voor vordering die koper overnam
31-01-2012In nieuwsbericht 2011/349 hebt u kunnen lezen over een tussenvonnis van de Rechtbank Arnhem. In deze zaak had V alle aandelen in een BV (met een negatief vermogen) voor € 1 overgedragen aan K. Verder had V een vordering op de BV aan K gecedeerd voor € 349.999. Van de koopprijs is K een groot deel aan V schuldig gebleven. Deze vordering is vervolgens omgezet in een geldlening. Verder is tussen V, K en de BV afgesproken dat de BV zich borgstelt en een pandrecht op haar activa vestigt tot zekerheid van de schuld van K aan V. In het tussenvonnis was de Rechtbank onder meer tot het voorlopige oordeel gekomen dat de BV hiermee in strijd lijkt te hebben gehandeld met het verbod van art. 2:207c BW. Volgens deze bepaling mag een BV onder meer geen zekerheid stellen “met het oog op het […] verkrijgen door anderen van aandelen in haar kapitaal”.
In het eindvonnis heeft de rechtbank definitief geoordeeld dat de BV in strijd heeft gehandeld met art. 2:207c lid 1 BW. De Rechtbank verwerpt het standpunt van V dat de zekerheid is gesteld voor de vordering op de BV en niet voor de door K verkregen aandelen. Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de curator van de BV terecht gesteld dat de overdracht van de vordering onlosmakelijk samenhing met de overdracht van de aandelen. Als gevolg van de door de BV aan V verstrekte zekerheid kon K van V immers de gelden verkrijgen voor de aandelen. Van belang is daarbij ook dat enkel om fiscale redenen is afgezien van het omzetten van de vordering in aandelenkapitaal. Kortom, V, K en de BV hebben wel degelijk gekozen voor een constructie die inhield dat zekerheid werd gesteld met het oog op de verwerving van aandelen en aldus hebben zij in strijd gehandeld met art. 2:207c BW.
Weliswaar acht de Rechtbank aannemelijk dat de betrokken partijen zich dit onvoldoende hebben gerealiseerd en daartoe niet de opzet hebben gehad, maar feitelijk is de constructie op die wijze uitgevallen. De Rechtbank volgt niet het betoog van V dat de gekozen constructie moet worden gesanctioneerd op grond van HR 7 mei 2004 (JOR 2004/161) door de omstandigheid dat in het onderhavige geval (anders dan in het door de Hoge Raad beoordeelde geval) door de BV geen zekerheid is verstrekt voor een eigen leenschuld die vervolgens wordt doorgeleend, maar voor de schuld van de koper van de aandelen (K) aan de verkoper (V) daarvan.
De Rechtbank volgt de curator in zijn standpunt dat het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verleende zekerheden nietig zijn. Vervolgens komt de Rechtbank in de vrijwaringsprocedure van V tegen de accountant die de overeenkomsten heeft opgesteld, tot het oordeel dat de accountant tekortgeschoten is in de uitvoering van de opdracht die was verstrekt. De accountant heeft de gewraakte constructie tot stand gebracht. Dat die constructie is bedacht op basis van de wensen van V en K, maakt niet dat de thans gebleken juridische onhoudbaarheid daarvan niet aan de accountant kan worden tegengeworpen temeer omdat de accountant nu juist als deskundige was ingehuurd om aan de wensen, uiteraard op een juridisch houdbare wijze, vorm te geven.
Rechtbank Arnhem 14 december 2011, LJN BV1590
Nieuwsbron: OpMaat_Onderneming & Recht
« Terug naar overzicht nieuws


